Boekbespreking 

door: ir. L.C.F. Plessen  

“Comtoise-Uhren” 

auteur: Siegfried Bergmann 

In december 2005 verscheen een nieuw Duitstalig boek over Comtoiseklokken, getiteld: “Comtoise-Uhren”, van de hand van Siegfried Bergmann.

Siegfried Bergmann, geboren in 1943, studeerde elektrotechniek en bedrijfseconomie. Hij is verwoed Comtoiseverzamelaar en is sedert 1982 lid van de “Deutsche Gesellschaft für Chronometrie” (DGC). Hij publiceerde elf artikelen over Comtoiseklokken in de DGC-jaarboeken. 

Inhoud van het boek 

Het boek telt 18 hoofdstukken. Ieder hoofdstuk begint met een uiteenzetting op hoofdlijnen van het te behandelen onderwerp. Vervolgens worden deze hoofdlijnen, middels vele mooie, duidelijke foto’s, met uitgebreide bijschriften, nader toegelicht en aanschouwelijk gemaakt en worden details, uitzonderingen, uitvoeringsvarianten, etc. getoond. Deze toch min of meer uitzonderlijke presentatie leest zeer prettig.

In de 18 hoofdstukken komt achtereenvolgens uitgebreid aan de orde: De geschiedenis van de Comtoiseklok, de vele varianten (“gezichten”) van de buitenzijde van de klok met de diverse wijzerplaten, slingers, belhekken, gietstukken en de geperste voorfronten.

Daarna worden de iconografische en politieke kenmerken behandeld, alsmede de symboliek van de vrijmetselarij. Vervolgens het uurwerk met zijn varianten in gangen en slagwerken, wekkerwerken, constructies voor datumaanduiding etc. en toebehoren, zoals wijzers, bellen en sleutels. Ook bijzondere Comtoises zoals regulateurs, Comtoiselantaarnklokken, klokken met jacquemarts en met speelwerk komen uitgebreid aan de orde.

Tot slot een beschrijving van de Comtoisefabricage en de maatregelen om de fabricage goedkoper te maken, de concurrentiestrijd met het Zwarte Woud en de export van Comtoiseklokken, tot Thailand toe.

Hieronder volgen korte beschrijvingen van een aantal in het boek behandelde onderwerpen. 

De geschiedenis van de Comtoiseklok 

Dit is, op één na, het meest uitgebreide (ca. 60 bladzijden) hoofdstuk in het boek en wellicht voor veel lezers een belangrijk hoofdstuk, omdat, op basis hiervan, het “geboortejaar” van een Comtoise bepaald kan worden.

Eerst wordt een historisch overzicht gegeven. De geschiedenis van de Comtoise begint met de “oercomtoise”, ca. 1680 (Mayet), en gaat door tot het definitieve einde van de productie in 1913 (tot 1939 zijn nog Comtoises, samengesteld uit oude magazijnvoorraden, verkocht). Van 1680 tot 1913 zijn ca. 4.000.000 Comtoises vervaardigd. Het uurwerk van de Comtoise is geniaal door zijn eenvoud en is in de 230 jaar van productie nauwelijks veranderd. Het uiterlijk daarentegen onderging vele wijzigingen.

De klok, aldus het overzicht, was bedoeld als een praktisch en betaalbaar huisuurwerk voor de plattelandsbevolking. Ze is robuust en betrouwbaar.

Bij geen andere klok of gebruiksvoorwerp zijn de 3 wezenlijke ontwikkelingen, te weten technische, economische en politieke ontwikkelingen, in het Frankrijk van de 18e en 19e eeuw zo duidelijk herkenbaar.

Vervolgens wordt de ontwikkeling van de Comtoiseklok op een zeer heldere wijze beschreven in het perspectief van de diverse stijlperioden. Per stijlperiode wordt eerst de geschiedkundige en politieke situatie, die kenmerkend is voor die periode, geschetst.

Dan komen technische, maatschappelijke en economische ontwikkelingen aan de orde en wordt helder beschreven welke wijzigingen de Comtoiseklok in die bepaalde stijlperiode, als gevolg van deze ontwikkelingen, onderging en waarom. De wijzigingen en stijlkenmerken worden aan de hand van vele duidelijke foto’s met uitgebreide bijschriften, aanschouwelijk gemaakt.  

De behandelde stijlperioden zijn achtereenvolgens:

  • Tijd van 1680 tot 1715 (Lodewijk XIV);
  • Lodewijk XV, 1715 – 1774;
  • Lodewijk XVI, 1774 – 1789;
  • Franse Revolutie, 1789 – 1795;
  • Directoire, 1795 – 1799;
  • Consulat, 1799 – 1804;
  • Empire, 1804 – 1815;
  • Restauratie, 1815 – 1830;
  • 1830 – 1913, Louis-Philippe, 2e Republiek, Napoleon III, 3e Republiek.
 

Het uiterlijk van de Comtoise  

Zoals boven reeds aangeduid, kent het uiterlijk van de Comtoiseklok vele, vele varianten. Met name in de 19e eeuw zien we dit aantal varianten in uiterlijk snel toenemen.

In het boek worden de wijzerplaat (door de auteur het “gezicht” van de klok genoemd), de slinger, de gietstukken als frontversiering en het geperste front, in afzonderlijke hoofdstukken besproken en aan de hand van vele foto’s, wederom met uitgebreide bijschriften, worden de talrijke varianten aanschouwelijk gemaakt.

In het hoofdstuk dat betrekking heeft op de wijzerplaat, gaat de schrijver in op de verschillende typen wijzerplaten die de Comtoise in de loop van haar 230-jarige geschiedenis gekend heeft: De cijferring, de cartouche wijzerplaat en de wijzerplaten van fayence, albast en emaille. Binnen deze hoofdtypes kwamen vele varianten voor. Ook wordt ingegaan op wijzerplaatsigneringen, evenals op beschilderingen met bloemetjesmotieven, (Afb. 2 en 6) landschappen of dorpsgezichten of de unieke beschildering, voorstellend Napoleon nà de Slag bij Waterloo (Afb. 1).

Ook de speciale uitvoeringen van wijzerplaten komen aan de orde. Doorgaans gaat het hier om wijzerplaten die op bestelling gemaakt werden en heden gewilde verzamelobjecten zijn, zoals een Comtoise met volledig emaillen voorkant (Afb. 2), of een voorkant waarop meerdere emaillen wijzerplaten naast elkaar voorkomen, b.v. aparte wijzerplaatjes voor wekker en datum.

Ook de slinger kent vele varianten. Slingers zijn chronologisch onder te verdelen in: Draadslinger met loden peervormig slingerlichaam, de vouwslinger, de harpslinger en de bloemslinger. Vooral van de laatste twee bestaan vele uitvoeringen (Afb. 3).

Ook worden een aantal bijzondere uitvoeringsvormen van slingers behandeld, zoals geheel geëmailleerde slingers, slingers geheel van glas, slingers met een in de lens ingebouwde dochterklok (Afb. 10) etc. 

Voorts wordt ingegaan op de geelkoperen, gegoten frontversieringen, die tot ca. 1830 toegepast zijn. De bekendste gegoten frontversiering is deze met een omkijkende haan (Afb. 4). De auteur gaat uitvoerig in op de symbolische betekenissen die aan de haan kunnen worden toegekend. Naast de haan is de zonnekop erg bekend. Later kwam daar nog de adelaar bij. Onder de haan, zonnekop of adelaar, bevond zich doorgaans een medaillon, waarin o.a. politieke symbolen waren uitgebeeld. Haan, zonnekop en adelaar werden vaak geflankeerd door hennen, engelen of ranken. Ook aan de zeldzaam voorkomende gietstukken onder de wijzerplaat (cul de lampe) wordt aandacht besteed, evenals aan de versieringen van het huis en de deurtjes van de klok.

Als laatste wordt, begeleid door vele mooie foto’s, de bekende latoenkoperen geperste frontversiering uitgebreid beschreven. Goed merkbaar is dat de auteur zoveel mogelijk vermeden heeft om bij dit onderwerp foto’s van frontversieringen af te drukken, die al voorkomen in het boek van Gustav Schmitt. Bergmann deelt de geperste fronten in hoofdgroepen in. Beginnend met de zonnekop (tot ± 1845) en (na 1845) taferelen met personen, die ontleend zijn aan o.a. landbouwarbeid, liefde, wijn en wijnoogst, familieleven, jacht en religie. Ook worden de zeldzaam voorkomende erotische motieven beschreven (afb. 5). Daarna motieven met vogels en iconografische motieven. Tot slot komen de fronten, behorend bij bloemslingerklokken aan de orde. Er zijn meer dan 300 varianten van geperste voorfronten bekend. 

Iconografische motieven 

Na een uiteenzetting over de iconografie van het uiterlijk van de Comtoiseklok, gaat de auteur in de daarna volgende twee hoofdstukken in op de veel voorkomende politieke symboliek en de symboliek betrekking hebbend op de vrijmetselarij.

De op het gegoten front van een Comtoise uitgebeelde symbolen waren doorgaans eenvoudig te begrijpen, zoals de “drie Bourbonse lelies”, die het koningshuis symboliseren en nog eenvoudiger was het, als er portretten van, b.v. Lodewijk XV of Napoleon afgebeeld waren. Ten tijden van de Revolutie waren er symbolen als de “Frygische muts” of “elkaar drukkende handen”, symbool voor vrijheid, resp. broederschap.

Bij Comtoises met een geperst voorfront is de betekenis van de iconografische voorstelling, indien aanwezig, doorgaans minder duidelijk of vanzelfsprekend. De auteur beschrijft uitgebreid, aan de hand van twee voorbeelden, de gebruikte symboliek.

In het daarna volgende hoofdstuk worden per stijlperiode de politiek getinte symbolen en voorstellingen beschreven. B.v. de adelaar als symbool van de macht van keizer Napoleon of afbeeldingen van Napoleon zelf (Afb. 6) of, ten tijde van het “Directoir”, de “vijfpuntige ster”. Aan deze ster is een omvangrijke symboliek, deels uit de oudheid, verbonden. Eén uitleg is, dat de vijf punten staan voor vuur, water, aarde en lucht. Terwijl de vijfde punt het verstand van de mens voorstelt.

Vervolgens wordt ingegaan op de symbolen van de “Vrijmetselarij”, zoals die op Comtoiseklokken voorkomen. Deze klokken zijn zeldzaam. De bekendste symbolen zijn de “meetlat”, de “winkelhaak” en de “passer”. Interessant is te lezen wat de betekenis van deze symbolen is. 

Het uurwerk 

Hoofdstuk 12 is gewijd aan het uurwerk van de Comtoiseklok. Wie hier een technische verhandeling verwacht, zal teleurgesteld zijn. Op de exacte werking van het uurwerk, de fysische achtergronden, gebruikte materialen, de afstelling etc, wordt niet of nauwelijks ingegaan.

Van het gaand werk worden de bij Comtoiseklokken meest gebruikte gangen (spillegang en ankergang met hun varianten) kort beschreven en met mooie foto’s aanschouwelijk gemaakt (Afb. 7). Hetzelfde geldt voor de zeldzamere gangen, zoals de “pennengang”, de “Mayetgang” en de “Chevalier de Béthunegang”. Daarna wordt summier het wijzerwerk besproken, gevolgd door het slagwerk.

Beschreven wordt het praktische belang van het luidklinkende slagwerk, de trekrepetitie en de herhaling van de uurslag. Om dit mogelijk te maken is de Comtoise met een zaagslagwerk uitgerust. Naast het slagwerk met een bel, wordt, vanaf ca. 1860, ook slagwerk met een gong toegepast. Dit had twee redenen. De fabricage van een gong was goedkoper dan van een bel en een gong was bovendien minder luid en dus beter geschikt voor huizen in de meer stedelijke gebieden. Ook de combinatie van bel en gong op èèn klok komt voor in meerdere varianten. Voor de technische beschrijving van deze varianten, alsook voor de werking van het gewone slagwerk en het kwartierslagwerk verwijst de auteur in zijn voorwoord naar het boek “Die Comtoise-Uhr” van Gustav Schmitt.

Tot slot komen het wekkerwerk en de datum- en maanstandaanduiding aan de orde. 

Wijzigingen in het Comtoiseconcept 

Hoofdstuk 14 omschrijft op boeiende wijze de achtergronden van enige, vooral ingrijpende wijzigingen in het concept van de Comtoiseklok. De meeste wijzigingen ontstonden naar aanleiding van veranderende productiemethoden en -mogelijkheden, veranderingen in de behoeften van de klant en het streven naar gunstigere, meer concurrerende prijzen. Daarbij werd steeds vastgehouden aan het solide en betrouwbare uurwerkconcept.

De vervaardiging begint ongeveer in 1680 met een stuksfabricage door één uurwerkmaker en ontwikkelt zich tot massafabricage in de periode na 1800, met het hoogtepunt na 1860.

Gevolg was dat de aandacht in de loop der tijd verlegd werd van het streven naar een perfect product, naar perfectionering van het productieproces.

Massaproductie impliceert een goedkoper product, grotere aantallen en als gevolg daarvan het zoeken naar een bredere klantenkring en een groter geografisch afzetgebied.

Eén van die wijzigingen in het streven naar een lagere prijs en het tegemoetkomen aan de veranderende smaak van de klant, deels ook ingegeven door de uurwerken uit het Zwarte Woud, was het op de markt brengen van de Comtoise met veeraandrijving (± 1860).

Buiten dat de aandrijving door middel van veren geschiedde i.p.v. gewichten, wijzigde men aan het uurwerk niets. Waren Comtoises met gewichten bedoeld voor staande klokken, de Comtoise met veren (doorgaans “Morezklok” genoemd) maakte een wandklok in een houten behuizing mogelijk, die, uiterlijk, op geen enkele wijze meer deed denken aan de klassieke Comtoiseklok. 

Bijzondere constructies en uitvoeringen 

Ook in dit hoofdstuk wordt weer de algemene opbouw van het boek gevolgd, d.w.z. vele duidelijke foto’s met uitgebreide en heldere bijschriften.

Het hoofdstuk begint met een beschrijving van klokken met een loopduur, die afwijkt van de gebruikelijke loopduur van één week.  Uurwerken met een loopduur van ca. één maand (en meer) en met een loopduur van ca. één dag, komen aan de orde.

Een interessant voorbeeld van een Comtoise met een looptijd van één dag is het klokje dat ik, bij gebrek aan een Nederlandse benaming, voor het gemak maar “micro”-Comtoise noem (Afb. 8). Dit erg zeldzame klokje wordt slechts kort in het boek van Gustav Schmitt genoemd, maar hier uitgebreid beschreven, hetgeen verheugend is. Het betreft een uurwerkje met kooiafmetingen van slechts 76 x 83 x 76 mm (BxHxD). Het gaand werk en het sluitschijfslagwerk (halfuur en uurslag) zijn achter elkaar geplaatst. Bovendien is er een heus Comtoisewekkerwerk ingebouwd. Aandrijving van gaand werk, slag- en wekkerwerk geschiedt met één en hetzelfde gewicht met contragewicht. Er wordt vanuit gegaan dat het idee van de Jockele Uhren uit het Zwarte Woud als voorbeeld heeft gediend. Micro Comtoises zijn na 1850 gebouwd en doorgaans bovenop het huis gesigneerd met “Bailly-Maitre a Morez (Jura)”.

Maxi Comtoises hebben vaak alleen gaand werk en werden veel gebruikt om de wijzers van een wijzerplaat aan de gevel van een gebouw aan te drijven.

In dit hoofdstuk worden verder o.a. Comtoiseregulateurs, doorgaans uitgerust met pennengang en alleen gaand werk, beschreven. Volgens de auteur zijn er geen Comtoise-regulateurs met een echte compensatieslinger. Dit is echter onjuist. Op de tentoonstelling (2004) “Met Franse Slag” in het Klokkenmuseum in Schoonhoven, was een Comtoiseregulateur met een echte compensatieslinger te zien.

Vervolgens komen klokken met speelwerk, met automaten, met jacquemarts, schilderijklokken, etc. aan de orde. Kennelijk bij gebrek aan (voldoende) foto’s van Comtoisevoorbeelden worden foto’s van klokken uit het Zwarte Woud (Flötenuhr, Augenwender), speeldozen uit Zwitserland, een Franse schilderijklok, Engelse klokken, etc. getoond. Het hoofdstuk bevat echter ook beschrijvingen en mooie foto’s van een Comtoise met speelwerk, één met een carillon (Afb. 9), een klok met een jaquemart en een Comtoise-koekoeksklok.

Tot slot wordt ingegaan op een bijzondere Comtoise met kwartierslag, met datum en weekdagaanduiding en met een dochterklok met maanstandaanduiding in de slingerlens (Afb. 10) evenals op een zeldzame Comtoise met een wijzerplaat aan de voor- en aan de achterzijde van de klok. 

Concurrentie en export 

In de laatste 3 hoofdstukken beschrijft Bergmann de maatregelen die men genomen heeft om de kostprijs te verlagen, de concurrentiestrijd met het Zwarte Woud en de pogingen het afzetgebied te vergroten door export. Het hoeft geen betoog dat deze drie onderwerpen nauw met elkaar verweven zijn. Op interessante en zeer verhelderende wijze behandelt de auteur eerst de genomen maatregelen – voornamelijk in het productieproces – om de kostprijs te verminderen. Onderwerpen als massafabricage, standaardisering, normalisering, wijzigingen in de organisatie van het fabricageproces, de uitbesteding aan toeleveranciers etc. komen aan de orde. In tegenspraak hiermee was het steeds blijven vasthouden aan het oude, robuuste, dure uurwerkconcept en de wens om, met name na ± 1830, een grote keuze aan modellen aan te bieden. Zo had de klant de keuze uit meer dan 300 geperste fronten, vele soorten slingers, bel of gong, datum en wijzerplaten met of zonder bloemetjesbeschildering en/of signering.

Later, na 1900, zou blijken dat het vasthouden aan deze twee nobele principes belangrijke factoren waren bij de teloorgang van de Comtoiseklokkenindustrie.

Een andere, niet los daarvan te denken, factor is de concurrentiestrijd met de klokkenmakerij in het Zwarte Woud. De Comtoiseklok en de klokken uit het Zwarte Woud richtten zich in de 18e eeuw op hetzelfde, brede marktsegment, bestaande uit de plattelandsbevolking en de bevolking uit de eenvoudige stedelijke industriegebieden.

Het contrast tussen de klokken uit het Zwarte Woud en de Comtoises was groot. In het Zwarte Woud werden voornamelijk wandklokken geproduceerd, met een, deels houten, ééndaags uurwerk, ze waren niet erg robuust en betrouwbaar en hadden een relatief korte levensduur. Mede hierdoor waren de klokken uit het Zwarte Woud aanzienlijk goedkoper dan Comtoises.

Al in de 18e eeuw was de Franse markt het belangrijkste exportgebied voor deze Duitse klokken, die in zeer grote aantallen, met name in de 19e eeuw, geproduceerd werden, bijvoorbeeld in 1845, 600.000 stuks, waarvan er 150.000 in Frankrijk verkocht werden tegen 50.000 Comtoises.

Er werd veel plagiaat gepleegd, zo werden er houten fronten naar Franse smaak gemaakt die veel op de geperste Comtoisevoorfronten leken. Zelfs houten voorfronten met daarop gipsafdrukken van Comtoisefronten werden geproduceerd. De uurwerkindustrie in Frankrijk trachtte haar product door patenten te beschermen. Op fronten en slingers van gepatenteerde ontwerpen, of waarvoor patent was aangevraagd, perste men de woorden “Breveté” en/of “Déposé”. Het mocht niet baten, want zelfs de woorden “Déposé” en “Breveté” werden op Duitse klokken gekopieerd. Deze concurrentiestrijd was hevig en deels ook unfair. De vele facetten ervan worden in het boek op deskundige wijze toegelicht.

Op de concurrentie met het Zwarte Woud hadden de uurwerkmakers uit de Franche Comté uiteindelijk geen afdoende antwoord, hetgeen in 1913 tot het einde van productie van de Comtoiseklok leidde.

Het boek sluit af met een hoofdstuk over de export van Comtoiseklokken. Toen het fabricagevolume door de massaproductie toenam, zocht men naar nieuwe afzetgebieden, eerst in het westen en noorden van Frankrijk, getuige de voorfronten met visserij- en scheepvaarttaferelen. Later ook buiten Frankrijk. Eerst exporteerde men naar het Iberisch Schiereiland, daarna naar Noord-Afrika, (Marokko, Egypte) en vervolgens naar het oosten, o.a. naar Turkije, Syrië en Thailand. In Cairo, Damascus en Bangkok hangen nu nog, in moskeeën en tempels, maar ook in musea, Comtoiseklokken (Afb. 11).

De export bleek ook geen redding te bieden voor de Comtoise-industrie. 

Conclusie 

Het boek “Comtoise-Uhren” van Siegfried Bergmann is een grote aanwinst voor de Comtoiseliteratuur. Zoals de uitgever “La Pendule GmbH” in zijn advertentie elders in dit blad opmerkt, is het boek “een geschiedenisboek, fotoboek en leerboek in één”. Deze krachtige kenschets is zeer zeker waar!

Persoonlijk heb ik de uitvoerige historische beschrijvingen van stijlen en van de politieke, maatschappelijke en technische achtergronden, die de ontwikkeling van de Comtoise hebben beïnvloed, zeer gewaardeerd en als boeiend en leerzaam ervaren.

Zoals in bovenstaande samenvatting van het boek reeds vermeld is, leest het boek zeer prettig, ondermeer door de uitgebreide fotobijschriften. De kwaliteit van de ca. 700 professionele kleurenfoto’s is, mede door het gebruik van kunstdrukpapier, “super” te noemen. Door het grote formaat van het boek was het mogelijk de afmetingen van de foto’s royaal te houden, waardoor vele details goed zichtbaar zijn. Een aardigheid is dat de achtergrondkleur van de foto’s per hoofdstuk verschilt, waardoor het boek optisch levendiger wordt. De kenschets “fotoboek” of “kijkboek” wordt meer dan waar gemaakt!

Het boek geeft veel interessante en nog nooit eerder gepubliceerde informatie over de Comtoiseklok. Zeer bijzonder aan het boek is ook dat er, voor zover dat zichtbaar is op foto’s, geen incomplete klokken of “mariages” in staan. De getoonde klokken zijn alle puur en echt en mooi “opgepoetst”. 

In zijn voorwoord geeft de auteur aan dat het zijn streven geweest is dat zijn boek, waar mogelijk, geen doublures bevat met het boek “Die Comtoise-Uhr” van Gustav Schmitt.

Dit streven is op zich zeer toe te juichen, want hoeveel klokkenboeken zijn er niet waarin doorgaans in een groot inleidend deel, telkens hetzelfde beschreven wordt? Dit streven van Bergmann is mijns inziens bij de behandeling van de “techniek” echter te ver doorgevoerd, waardoor veel technische zaken erg onderbelicht blijven.

Verder blijkt uit het voorwoord dat de auteur naar volledigheid gestreefd heeft, maar zich gelijktijdig realiseert dat dit, zeker bij een boek over Comtoises, welhaast onmogelijk is.

Tenzij ik in dit volumineuze werk iets over het hoofd heb gezien, mis ik inderdaad enkele, zij het deels minder belangrijke, onderwerpen.

Kijkend naar de soorten Comtoises, dan zien we dat de klokken uit Haut Marne en Haute Saône slechts zijdelings genoemd worden. Een beschrijving van kenmerken, waardoor ze zich onderscheiden van “echte” Comtoises, ontbreekt. Ook Comtoisewekkers worden niet beschreven en ook niet, middels foto’s, getoond. Daarentegen worden Comtoises met een “treize pièce”-wijzerplaat wel beschreven, doch mooie foto’s ervan ontbreken ook.

Van Comtoises met veren (“Morez”-klokken) wordt wel het uurwerk getoond en beschreven, maar foto’s van complete klokken ontbreken, terwijl het toch pure Comtoises zijn, ook al zien ze er niet als zodanig uit. Voorts is er in het boek veel aandacht voor stijlen en stijlperioden, echter een beschrijving en een aantal mooie foto’s van de verschillende stijlen van kasten van staande klokken - en de Comtoise is een staande klok - ontbreken.

Tot slot is het voor een boek van deze kwaliteit, met zijn uitgebreide historische beschrijvingen, erg jammer dat aan de achtergrond van de “Republikeinse” tijd (1792 – 1806) zo weinig aandacht wordt besteed. De indruk wordt gewekt dat de “Republikeinse” tijd alleen bepaald wordt door een kalender met maanden van 30 dagen. Over de historie en de tien “week”-dagen, de tien “uren” in een “dag”, 100 “minuten” in één “uur”, etc, wordt niet gesproken, terwijl dit toch wezenlijk is voor de “Republikeinse” tijdsindeling.

In de overige Comtoiseliteratuur is over dit onderwerp eveneens weinig of niets te vinden, met uitzondering van de brochure, behorend bij de Comtoisetentoonstelling “Met Franse Slag”, in 2004 in Schoonhoven. In deze catalogus is een uitgebreid artikel over de “Republikeinse” tijd opgenomen. 

Bovenstaande “lijstje” doet echter in geen enkel opzicht afbreuk aan het feit dat het boek “Comtoise-Uhren”, resumerend met recht een schitterend boek van een zeer hoge kwaliteit genoemd mag worden. Het boek kost weliswaar Є 149,80, maar gelet op de hoge kwaliteit, in de ruimste zin des woords, is het boek dit bedrag meer dan waard.

De aanschaf is aan te raden voor iedere klokkenliefhebber, maar zeker een “must” voor de Comtoiseliefhebber! 
 

Voor gegevens omtrent het boek en de uitgever, evenals voor het prijsvoordeel dat leden van bij de Federatie Klokkenvrienden aangesloten verenigingen genieten, wordt verwezen naar de advertentie elders in dit nummer van TIJDschrift. 

Opmerking 

Klokkenvriend, de heer L.C. Rurup had er behoefte aan om van alle wijzerplaatsigneringen uit het boek een lijst in alfabetische volgorde op te stellen. In het volgende nummer van TIJDschrift meer over deze zeer tijdrovende klus. 

Bijschriften bij de afbeeldingen  

Afb. 1  Beschildering op de wijzerplaat van een klok uit ca. 1825, voorstellend: “Napoleon na de Slag bij Waterloo”. Napoleon zit blootshoofds en moe gestreden voor een kapotgeschoten boom. Daarnaast ligt zijn hoed. 

Afb. 2  Comtoiseklok (ca. 1780) met volledig emaillen voorfront. Vooruitkijkende haan geflankeerd door twee hennen. Schitterend bloemmotief. Datumaanduiding. 

Afb. 3  Harpslinger met een gekleurde kopergravure in het centrum van de lens. Motief: “Badende dames”. 

Afb. 4  Haantjesklok in “Optima Forma” (ca. 1770). Zelfs de wijzers zijn voorzien van haantjes, evenals de twee bevestigingspennen van het voorfront. De drie lelies in het medaillon zijn tijdens de Revolutie weggevijld. 

Afb. 5  Comtoiseklok (ca. 1870) met zeer zeldzame erotische voorstelling: “Het raadsel der vrouwelijke genitaliën”.  

Afb. 6  Comtoiseklok met kwartierslag en datumaanduiding, (ca. 1810, Empire). Frontgietstuk met adelaar, daaronder in medaillons Napoleon en Marie-Louise. Bloemetjesmotief. Gesigneerd: “J.P. Reboul”. 

Afb. 7  Uurwerk van een Comtoise op voetjes en met één wijzer (ca. 1700). Spillegang, uurslag met repetitie, extra hamer voor halfuurslag. Afmetingen: B x H x D = 187 x 365 x 50 mm. 

Afb. 8  De vier hoofdafmetingen van Comtoiseklokken met geperst front. Van links naar rechts: Maxi (B x H x D = 400 x 400 x 240 mm = 38 liter), normaal, mini en micro ( B x H x D = 76 x 83 x 76 = 0,480 liter). 

Afb. 9  Uurwerk van een Comtoiseklok met carillon op 12 bellen, ca. 1820. 

Afb. 10  Zeer bijzondere Comtoise (ca. 1880) met kwartierslag en datum- en weekdagaanduiding. In de slingerlens een dochterklok met maanstandaanduiding. 

Afb. 11  Comtoiseklok (ca. 1870) bestemd voor export naar het Osmaanse Rijk. In het front een Osmaanse voorstelling met twee gekruiste kanonnen, Osmaanse halve maan met ster en Arabische schrifttekens. 

Wij danken de Redactie van TIJDchrift
voor hun bereidwillige toestemming om
onderstaande boekbespreking op ons
internet te mogen publiceren

Autor: L.C.F. PLessen
TIJDschrift“ 06/1 von März 2006
.
www.fed-klokkenvrienden.nl